verhipvoorlesbos – deel 2

Na mijn bezoek aan Kara Tepe gaan we naar het kamp in de heuvels van Moria. Dit is het vluchtelingenkamp waar de mensen naartoe gebracht worden na hun aankomst op het eiland. Hier vinden alle officiële stappen in de asielprocedure plaats, van registratie tot interviews. Het kamp is gevestigd in een oude gevangenis met drie omheiningen van muur en prikkeldraad. Alleen al de aanblik is totaal anders dan Kara Tepe.

 

 

Nina vertelt ons dat er afgelopen maandag ongeregeldheden waren binnen de muren van Moria. Nu ik zo dichtbij ben kan ik me daar alles bij voorstellen. Het zijn stuk voor stuk getraumatiseerde mensen, die nu op een kluitje met elkaar moeten leven onder erbarmelijke omstandigheden. Er is plaats voor maximaal 1800 mensen en inmiddels verblijven er 6500. En ondanks dat de kwetsbaren eigenlijk naar Kara Tepe zouden moeten gaan, zitten ook hier nu heel veel families met kinderen.

Als we aankomen zien we Adil, een van de oprichters van Movement On The Ground die permanent op Lesbos woont. Hij is samen met vrijwilligers en bewoners van het kamp bezig om de grond te egaliseren. Daarop gaan ze de volgende dag een oude tent van Circus Renz neerzetten, die verwarmd kan worden en waar 200 mensen in kunnen slapen. Ik spreek metAdil over de situatie en hij neemt me mee naar een olijfgaard op de heuvel naast het kamp, waar een aantal families zich hebben gevestigd. Ze voelen zich onveilig binnen de kampmuren en hebben nu noodgedwongen daar hun tentjes opgeslagen. Ik kan moeilijk woorden vinden om wat ik daar zie te omschrijven. Stel je de kleinste campingtent voor, zo eentje van 2 bij 1 waarin je niet kunt staan maar in moet duiken, met een deken ervoor als een soort woonkamer, en verder niets, helemaal niets. En dan te bedenken dat de winter eraan komt. Vorig jaar stierven hier mensen. Ze worden ziek of er gebeuren ongelukken als ze proberen te koken met gasflessen. Ook nu zien we vuurtjes, waarop mensen de gekste dingen verbranden, zoals het plastic dat hier overal ligt. De lucht kan nooit gezond zijn…

We gaan naar de families en Adil vraagt hen of er baby’s zijn. De mannen en vrouwen laten hun kleine hummeltjes zien. “Mijn baby is vijf maanden, maar heel klein. Kijk maar.” Ik geef meteen kleertjes; twee pakjes, een vest en capusjaal. Dan komt er een vrouw die naar haar buik wijst. Er volgen er meer, zeker zes zwangere vrouwen staan tegenover me. Ik grijp mijn tas en vraag me (naïef vanuit mijn bevoorrechte positie) af: moet ik blauw of roze pakken? En meteen daarop volgt de gedachte: deze mensen hebben helemaal geen echo’s en wat kan hen het schelen, als ze maar kleding hebben. Ik ga terug naar de auto en haal ook dekentjes. Het valt me op dat de vrouwen hier continu de baby in de armen houden, gewikkeld in een deken. Zo kunnen ze gemakkelijk gevoed worden, maar los daarvan: waar kunnen ze anders liggen? Op een deken op een koude modderige ondergrond? Ik pak ook de verzorgingsmiddelen die ik van mijn collega-ondernemer Esther heb meegekregen. Ik geef alle families een tube wasgel om de kindjes mee te kunnen wassen. En dan zegt één moeder: “ik ben er heel blij mee, maar we hebben niet eens water”.

Ik slik en ga naast haar op de deken zitten. Ze verontschuldigt zich dat deze vies is. Dat kan mij natuurlijk helemaal niets schelen, maar het zegt veel over hoe zij zich bijna schamen voor hun eigen situatie. Ze laat me het mondje van haar baby zien. Ze probeert me iets te vertellen. Adil komt erbij en hij vertaalt dat het kindje ziek is. Ik vraag hem wat we kunnen doen. En dan komt de harde werkelijkheid: we kunnen niet veel doen, hoe erg dat ook is. Wij zijn geen medici en ik kan moeilijk zomaar wat halen bij de apotheek. Het moet via de medische posten gaan op het kamp, maar die zijn natuurlijk totaal overvraagd. Een man zegt: “al onze kindjes zijn ziek” en dat verbaast me niets met deze omstandigheden en de blote voetjes van sommige kinderen. Ik wilde nog knutselspulletjes uitdelen aan de oudere kindjes, maar het voelt totaal ongepast dat nu te doen. Deze mensen willen vooral hun eerste levensbehoeften en die kan ik hen helaas niet bieden. Ik neem met veel pijn in mijn hart afscheid.

 

 

 

 

 

 

 

 

Als we terug naar beneden lopen, zucht ik diep en bespreek ik mijn gevoelens met Nina en Adil. Mijn rol voelt nietig. Ik heb kleertjes, maar alleen voor de allerkleinsten. Ik kan niet zorgen voor de basisvoorzieningen. Ik kan niet zorgen voor een structurele verbetering. Laat staan voor een toekomstperspectief voor deze mensen. Nina geeft aan dat ook zij hiermee weleens worstelen. “Straks hebben wij een tent voor 200 mensen, maar die andere duizenden dan? En toch moeten we ergens beginnen.” Als we weer terug in het grind staan op de plek waar de tent moet komen, zegt Adil: “met allemaal kleine steentjes bouw je uiteindelijk ook een muurtje. En met jouw gebaar laat je mensen weten dat ze niet vergeten zijn.“ En zo is het ook. Dat ik hier naartoe ben gekomen, mijn bescheiden bijdrage lever en de mensen op deze manier een stem geef…dat is in elk geval beter dan in Nederland op de bank te blijven zitten, kijkend naar nieuwsuitzendingen waar deze problematiek tot mijn grote verbazing nauwelijks meer in voorkomt…

Geef een reactie